Object van de maand - Maart 2020

De Lotingtrommel

De trommel is opgebouwd uit een houten frame, ingevuld met glas. Eén paneel scharniert open, zodat de trommel gevuld kan worden. Ze is opgehangen in een houten constructie en voorzien van een draaihendel. De trommel werd gebruikt voor het uitloten van dienstplichtigen in het leger. We vinden meer over het gebruik van het uitloten van dienstplichtigen in een artikel in ons tijdschrift van het jaar 1988, van de hand van Romain Lemaire.

Wat was die loting? Hoe gebeurde ze? … Vóór de algemene dienstplicht moesten de jonge mannen loten om vast te stellen wie er soldaat moest worden en wie niet. Uit een trommel of een opgestoken hoed moesten de lotelingen één voor één een nummer nemen. Wie een laag nummer trok (d.i. lager dan het vastgestelde aantal op te roepen soldaten) was er ingeloot en moest dus soldaat worden.

Maar zo simpel was het dan ook weer niet, omdat in het systeem de zogenaamde vervanging was ingebouwd, en dat maakte juist die loting zo berucht en onpopulair doordat ze vooral de minstbedeelde bevolkingsklasse trof, en bovendien de kwaliteit van het leger aantastte. Hierover verder meer.

Procedure

In februari of maart van elk jaar had de loting plaats in de hoofdplaats van elk militiekanton (Wetteren was zo een hoofdplaats). Het Parlement bepaalde jaarlijks het contingent dienstplichtigen voor dat jaar. Dat aantal op te roepen soldaten werd evenredig verdeeld over de verschillende provincies. De Bestendige Deputatie van elke provincie deed vervolgens de verdeling per kanton. Het gemeentebestuur stelde de lijsten op van de jongemannen die dat jaar de militieleeftijd bereikt hadden. Daarvan werden eerst nog de zieken en ‘plantrekkers’, door een speciale keuringscommissie afgevoerd, geschrapt. De provinciegouverneur bepaalde de dag dat de loting zou plaatshebben. De loting werd voorgezeten door de arrondissementscommissaris, omringd door de burgemeesters van de betrokken gemeenten. Van militaire zijde was er de militiecommissaris, een officier en twee onderofficieren. De veldwachter (‘champetter’) vergezelde de jongelui tot aan het aangeduide lokaal. Het evenement bracht een groot deel van de bevolking op de been, het was dus een drukte van belang. Die lotingsdag was als een soort jaarmarktdag, met bruisend leven op straat en in de cafés, met niet zelden overdadig drankgebruik. In de steden was er vaak onrust, opstootjes en manifestaties. Soms moesten rijkswacht en leger optreden.

Eens al de lotelingen van een bepaald militiekanton present waren las de commissaris met luide stem de alfabetische lijst nog eens af, met vermelding van het aantal miliciens dat uitstel kreeg. Daarna telde hij het overeenstemmende aantal vierkante briefjes, genummerd van 1 tot het aantal lotelingen, parafeerde elk nummerbriefje en gaf het aan één van de aanwezige onderofficieren. Deze rolden de briefjes op, staken ze in een ring en legden ze in de trommel (soms een hoed). Dan pas deelde de commissaris het aantal lage nummers, dwz het aantal uit te loten soldaten, mee. In alfabetische volgorde werden de lotelingen naar voor geroepen. Ieder van hen nam uit de trommel (of hoed) een ‘rolleke’, dat hij aan de voorzitter gaf. Die opende het kokertje en riep luidop het nummer af, dat hij weer aan de loteling gaf. Wie een laag, dus een slecht nummer had getrokken werd onmiddellijk terzijde genomen door de onderofficieren die reeds met de eerste formaliteiten begonnen: meten van lengte, gewicht enz… Eén maand na de loting moesten ze opnieuw verschijnen voor de herkeuringsraad, in hetzelfde lokaal. Daar werd door dokters en officieren over de geschiktheid voor de dienst beslist.

Animo

Bij het buitenkomen van de lotingzaal werden nummers vastgespeld op hoed of muts en de hele dag werd er gezongen en gedronken, van vreugde of verdriet. Om het nieuws, goed of slecht, zo snel als mogelijk thuis te melden werden soms duiven losgelaten, met het nummer aan hun poot. Het nummer werd doorgaans goed bewaard, en in sommige gezinnen werd het ingelijst en kreeg het een ereplaats in huis. In het museum zijn nog enkele van die nummers bewaard. In de steden braken er wel eens relletjes uit, vooral vanaf 1870 met een antimilitaristische strekking. De drankhuizen in de buurt van de lotingsverrichtingen stroomden vol en beleefden een hoogdag. Tussen dat luidruchtige volkje bewogen zich de officiële ronselaars of ‘agenten van affairieën’, op zoek naar vervangers.

Korte geschiedenis van de loting

Terwijl in eerdere eeuwen de verdediging van een gemeenschap dan weer door vrijwilligers, dan weer door beroepssoldaten werd opgenomen, gaat geleidelijkaan de opvatting veld winnen dat de legerdienst een nationale plicht is. In dat kader verspreidt zich de loting, als neutraal en onpartijdig geacht systeem dat berust op de speling van het lot. In Italië duikt het systeem voor het eerst op in 1570, in Frankrijk vanaf 1627. Onder Franse invloed wordt de loting reeds in 1692 ingevoerd in de graafschappen Namen en Henegouwen. Tijdens de Spaanse overheersing werd loting ook toegepast in de Zuidelijke Nederlanden, reeds met de mogelijkheid tot vervanging. In 1798, onder Frans bewind, werd de conscriptiewet ingevoerd. Die bepaalde dat alle jongemannen in oorlogstijd tot de militaire dienst werden opgeroepen. Hiertegen kwam hevig verzet, de boerenkrijg. De landelijke bevolking dook onder, organiseerde zich clandestien en zette de pastoors er toe aan de doopregisters te vernietigen – wie niet bekend was kon ook niet opgeroepen worden. In het Koninkrijk der Nederlanden – waaronder België toen ressorteerde - werd in 1817 de loting van de Fransen overgenomen, maar gemilderd door de mogelijkheid tot vervanging, mits de betaling van een vaste, gereglementeerde prijs van 1.600 frank. In 1830 werd België onafhankelijk. In 1870 werd onder dreiging van de Frans-Duitse oorlog in ons land de eerste militiewet goedgekeurd die steunde op een zo groot mogelijk aantal vrijwilligers. In geval van tekort voorzag ze nog wel de loting. Alleen de niet begoede families konden hun enige zoon vrijkrijgen. Maar weldra bleek dat het sociale onrecht van het vervangingssysteem op de minstbedeelde bevolkingsklasse bleef drukken en de kwaliteit van het leger zelf naar beneden halen. Naarmate de negentiende eeuw vorderde en meer stemmen opgingen voor o.a. algemeen stemrecht werd de drang naar de algemene dienstplicht groter, wat ook de weerbaarheid en de morele waarde van het leger kon verhogen. België, dat doorging voor een van de meest democratische landen hinkte achterop wat betreft de militaire politiek. In het buitenland kende men reeds in de tweede helft van de negentiende eeuw een rekruteringsformule dat in de plaats kwam van de loting en het vervangingssysteem. Uiteindelijk werd in 1909 de militiewet van kracht. Door de dienstneming van één zoon per gezin werd het contingent op 40.000 man gebracht. Onder druk van de internationale spanning werd in 1913 de algemene dienstplicht goedgekeurd. Hierdoor gingen de kazernepoorten open voor alle lagen van de bevolking waardoor de legersterkte 100.000 man bereikte.

Vervanging

De wet van 1817 voorzag de mogelijkheid tot vervanging. Als officiële prijs werd 1.600 frank vooropgesteld. Zeer gauw bleek dat deze onsociale maatregel vooral de minstbedeelde klasse trof. Behalve de armen presenteerden zich ook een zekere soort avonturiers als ‘remplaçant’, wat desertie en allerlei misbruiken in het leger in de hand werkte. Vooral beroepsvervangers baarden de legeroverheid grote zorgen. Ook de gemeentelijke overheid ging niet altijd vrijuit, omdat ze zich door de vervanging van bepaalde ongure individuen trachtte te ontdoen. In de regel was het ook zo, dat wie een vervanger in dienst had er ook voor verantwoordelijk was. Bijvoorbeeld bij desertie van de vervanger moest de persoon in kwestie voor een andere vervanger zorgen of alsnog zelf in dienst gaan. Rijke families regelden de vervanging lang vooraf en zochten een vervanger bij hun pachters of werkmensen. Er bestonden ook makelaars, ‘agenten van affairieën’ genoemd. In veel gevallen waren het gewoon ronselaars die vaak niet vies waren van valse beloften, bedreiging, omkoping of aftroggelarij. Dit alles resulteerde dikwijls in een erbarmelijke toestand in het leger. In 1870 waren van de 80.000 militairen onder de wapens 20.000 vervangers, 1 op 4 dus. Door de militaire spanning aan onze grenzen deserteerden er in die periode meer dan 1.000 man in een periode van zes maand.